Samen werken aan de zorg voor jeugd

Jolanda de Witte, Wethouder Zwijndrecht en Regionaal Portefeuillehouder Jeugd ZHZ, wil graag weten of Goudsmit ook in gesprek gaat met ouders. ‘Iedereen kan bij mij terecht met klachten over jeugdhulp, school en huisuitzettingen. Ik heb vooral contact met ouders. Contact met ouders gaat meer vanzelf. Om kinderen te bereiken moet ik meer moeite doen. Ik ga er veel op uit met de kinderombudsfiets. Ik blijf niet achter mijn bureau zitten.’ De Witte is benieuwd of Goudsmit vooral contact heeft met pubers. Goudsmit knikt. ‘Als kinderen heel jong zijn praat ik met de ouders. Ik vraag ze altijd toestemming om met hun kinderen in gesprek te gaan.’

Kinderombudsfiets

Iedereen ziet in gedachten Stans Goudsmit op haar kinderombudsfiets door Rotterdam rijden. ‘Hoe gaat dat dan in de praktijk? Fiets je zomaar ergens heen?’ vraagt Marina van der Velde-Menting, Burgemeester van Kaag en Braassem. Goudsmit: ‘Gisteren was ik te gast bij jeugdzorginstelling Enver, binnenkort ben ik op de SS Rotterdam voor het kinderrechtenfestival. Ik praat met allerlei kinderen, niet alleen in jeugdzorg.’ Gespreksleider Esther van Rijswijk dankt Goudsmit voor haar warme pleidooi voor gesprekken met kinderen en constateert dat het nog niet erg gebruikelijk is. ‘In de jeugdzorg wel, neem ik aan?’ Thea Roelofs, bestuurder bij Enver, knikt. ‘Maar ook in gemeentes is van alles geregeld. Er zijn jongerenraden, jeugdburgemeesters, noem maar op. Ik vind dat je niet met experts kunt praten over kinderen zonder dat ze aanwezig zijn. Maar breng ze niet in een context waarin ze ongelukkig zijn. Dan doen ze hun mond niet open. Je moet ook met kinderen praten als ze acht of zes zijn.’

Zelf is Roelofs heel ongelukkig met de ontstane praktijk bij het Jongerenbeschermingsplein. ‘Het is een institutionele oplossing voor menselijke problemen. Hulpverleners die zorgen hebben over de veiligheid van kinderen moeten zich melden bij dat plein. Doel was dat ook de cliënten zelf nadrukkelijk een rol spelen in het overleg maar in de praktijk is een werkwijze ontstaan van praten over in plaats van praten met. Ook nu opnieuw afgesproken is dat ouder en jongeren zelf aanwezig zijn op het jeugdbeschermingsplein is in een dergelijke samenstelling met meerdere professionals een echt gesprek niet haalbaar. Het zou zo mooi zijn als gewoon iemand met deze mensen optrok en afhankelijk van de inschatting van die professional de gewenste versterking wordt ingezet. ‘Iedereen heeft zijn eigen oplossing nodig. Iedereen uit het veld moet bewogen worden de dingen te doen die voortkomen uit gezond verstand. De werkwijze met “Het plein” leidt ook weer tot wachtlijsten en aansluitingsproblemen.'

Wat heeft de professional nodig?

Joost van der Hulst, Lid Raad van Bestuur Jeugdbescherming West, schetst een baaierd aan problemen die ontstaan door de bemoeienis van beleidsmakers in de jeugdzorg. ‘We zijn met een hele groep mensen problemen aan het oplossen die er eigenlijk niet zouden moeten zijn. Je moet je steeds afvragen: wie is in elke (jeugdzorg) organisatie waarvan? Dat kost heel veel energie. Terwijl: als je professionals van de verschillende organisatie met elkaar nauwer in verbinding brengt, kun je doorpakken. Vraag wat zij nodig hebben om dingen op te lossen.’ Van der Hulst noemt een voorbeeld van zo’n systeemprobleem: ‘We hadden een jongen aan tafel van 17 jaar die op een dure plek woonde. Hij wilde graag op kamers, maar had geen geld. Wij vonden dat hij op kamers kon van het geld dat wij uitgaven aan die dure plek. De wethouder was het met ons eens, maar mocht het geld niet administratief zelf geven. Ook andere betrokken hulpverleningsinstanties konden dit probleem niet oplossen.Toen zei een van onze betrokken medewerkers: geef het maar aan mij, dan regel ik het. Ik heb iets gedaan wat niet mocht, maar het gaat goed met het kind. Ik kan dit alleen niet tien keer doen, want dan word ik op de vingers getikt. We hebben met elkaar meer maatwerk nodig.’

Roelofs is het roerend met hem eens. ‘Formeel mogen we vaak geen jongeren onder de 18 zonder 24-uurs toezicht plaatsen. Maar sommigen hebben zoveel meegemaakt dat ze volwassen zijn. Je moet natuurlijk wel naar ze omkijken. Als ze ouder worden, is zelfstandig wonen lastig zonder hulp van een netwerk. Welke gemeente heeft huisvesting met ruimte voor ondersteuning voor deze groep kinderen?’

Ook De Witte herkent deze visie. Ter aanvulling vertelt ze dat professionals uit verschillende organisaties ook nog eens verschillende protocollen hebben waar zij zich aan moeten houden, o.a. van de Inspectie, waarbij het zo kan zijn dat niet kan worden ingegrepen in een situatie die overduidelijk onveilig is. ‘’

Oliemannetje

Jan Menting, ambassadeur Zorglandschap voor Specialistische Jeugdhulp, is in situaties als deze het oliemannetje. Hij vindt dat de problematiek rond jeugdzorg tijdens het gesprek al aardig op tafel ligt. Hij is blij met de decentralisatie van jeugdzorg, maar vindt wel dat we veel meer van gemeenten verwachten dan ze kunnen waarmaken. Wethouders zijn opdrachtgevers, maar ze komen in de aanbestedingsfase niet bij elkaar per zorgregio voor overleg. ‘Governance bij gemeentes schiet tekort. Gemeenten hebben het onvoldoende georganiseerd om de jeugdzorg aan te kunnen. Dat vind ik een behoorlijke systeemfout.’ Roelofs wil zich niet achter het systeem verschuilen. ‘Ik wil best buiten kaders treden.’ Ook De Witte wil dit standpunt nuanceren: ‘Samenwerkingsverbanden functioneren overal anders.’ Menting: ‘Ik zie in heel veel regio’s zwakte op de aansturing.’

Het grootste probleem in de jeugdzorg is volgens Peer van der Helm, Psycholoog en Lector Residentiële Jeugdzorg, Hogeschool Leiden, de lopende band die steevast naar gesloten jeugdzorg leidt. Een voorbeeld: ‘Ik zag een zesjarig meisje dat al in 11 instellingen had gezeten en nu stabiel was in een gezin. Tot ze werd doorgeplaatst. Haar voogd belde gisteravond: het is weer helemaal mis. Binnenkort moet ik gesloten plaatsing aanvragen. Het is de enige oplossing binnen het systeem. Ik heb haar hele verhaal opgeschreven en beargumenteerd waarom ze niet gesloten moet worden geplaatst. Het leidde tot ruzie bij de rechtbank. Maar de rechter deed iets heel bijzonders: die ging naar het meisje toe om haar te vragen wat ze ervan vond. Haar advocaat was onder de indruk: dit is de eerste keer dat dit gebeurt, zei hij. Ik wil de lopende band stoppen, samen met Jan.’ Jan Menting knikt. ‘Vooral meisjes met borderline en jongens met antisociaal gedrag zijn hier het slachtoffer van. Kinderen wordt niks gevraagd en in gesloten jeugdzorg wordt het niet beter. Het wordt zelfs niet veiliger, terwijl we dat wel denken.’ Waarom doen we het dan? Vraagt Baljeu. ‘Het gaat al heel lang zo en instellingen hebben er belang bij. We moeten samen dit systeem doorbreken omdat het veel kost en niks oplost. Misbruikte meisjes horen niet in gesloten jeugdzorg.’ Van der Hulst schudt zijn hoofd: ‘Ook jeugdbeschermers zien dit gebeuren en willen het niet.’

Druk op crisisopvang

In Rotterdam hebben ze, met dit probleem in gedachten, net een complexe aanbesteding gehad waarin integrale oplossingen worden nagestreefd. Door veranderingen naar aanleiding van de aanbesteding ontstaat nu frictie: er is nu heel veel druk op de crisisopvang. Roelofs: ‘We moeten anders gaan denken. De politie en beschermingsketen moeten kinderen minder snel uit huis halen. Wij moeten ons realiseren dat we cultuurbepaalde opvattingen over veiligheid hebben. Tijdens een onderzoek naar een inbraak troffen agenten in een huis veel kinderen aan zonder ouderlijk toezicht op dat moment. Uithuisplaatsen van de kinderen is hier niet het goede middel want die kinderen willen bij hun ouders zijn en deze hebben geen formele verblijfsstatus en een dag later is dit gezin weer weg. Als je kinderen in een dergelijke situatie zonder perspectief in Nederland uit hun situatie haalt, werkt dat ontwrichtend.’



Goudsmit: ‘Laten we vooral het belang van het kind voorop stellen. Ik zie soms instellingen zo lang ruzie maken over wie een plek of behandeling moet betalen dat de plek weer weg is als ze klaar zijn. Je kunt ook zeggen: laten we het kind de plek gunnen en daarna achter de voordeur ruziën.’

Holland Rijnland heeft dat probleem opgelost door met alle gemeenten samen een zelfde inkoopstrategie te hanteren, vertelt Marina van der Velde-Menting, burgemeester van Kaag en Braassem. De gemeenten vragen de hulpverleners hun diensten in een consortium aan te bieden. Dat consortium biedt geen standaard pakketten aan, maar behandelingen die snel afschalen van duur naar minder duur. Er zijn weinig wachtlijsten en de hulp is adequaat. ‘Leiden gaat dit nu ook doen’, zegt Van der Velde. ‘We proberen de incentive van de bekostiging weer terug te vinden, zodat we het juiste kunnen doen voor het kind. Maar als ergens meer geld nodig is, kan dat.’



Zelfstandigheid als uitgangspunt

Peter Boudewijn, Raad van Bestuur RST Zorgverleners en Plv. Voorzitter Drechtraad, vindt de discussie herkenbaar. De situatie is voor raadsleden heel complex. Hij ziet wel de systeemfout: ‘We hebben het systeem vanuit gemeenten, zorgverleners en de hulpverlening opgebouwd en niet vanuit jongeren. Bij ouderen is zelfredzaamheid en eigen regie het uitgangspunt, bij jongeren niet.’ Hij oppert dat een lokaal jeugdteam beter kan regisseren omdat het dichter bij jongeren staat. Voor wachtlijsten heeft hij een radicale oplossing: ‘Als we nu eens het budget open houden? Zonder wachtlijsten zouden de kosten van jeugdzorg best eens lager kunnen worden. Wachtlijsten leiden tot escalaties en zwaardere zorg’ De Witte vraagt zich af waar we dan mee bezig zijn. Van der Hulst knikt: ‘Straks heb je veertig verschillende oplossingen.’

Peer van der Helm schetst een aantal sombere cijfers die onderstrepen hoe ineffectief de jeugdzorg eigenlijk functioneert: ‘Voor 95 procent van de kinderen gaat het probleem vanzelf over, zonder jeugdzorg. Helaas komen ook jongeren door jeugdzorg in de problemen. Twee tot vijf procent komt in ernstige problemen. Bij niet-klinische problemen heeft 1 op de 5 jongeren baat bij jeugdzorg.’ De Witte vraagt zich af waar we dan mee bezig zijn? Van Rijswijk vraagt zich af of het bij ADHD en dyslexie makkelijker gaat. Van der Helm moet haar teleurstellen: 95 procent van de kinderen die Ritalin slikt, heeft geen ADHD. We geven heel veel geld uit aan hoogopgeleide ouders. Een kind met een tic krijgt gelijk zes behandelingen, terwijl het vaak vanzelf over gaat. Terwijl er kinderen zijn met ernstige problemen waaraan we bijna geen geld besteden. Als we beter zouden triageren, zoals verpleegkundigen (triagisten) doen in de gezondheidszorg die bijvoorbeeld op de intensive care bepalen wie het eerst moet worden geholpen op basis van de ernst van hun klachten, zouden we veel zorgkosten en onnodige behandelingen besparen. Vijftig procent van de behandelingen kan door de huisarts worden gedaan.’ Menting doet er nog een schepje bovenop: ‘De meeste dyslexiebehandelingen zitten in het Gooi, bij hoogopgeleide ouders. Als ergens veel wijkteams zitten, neemt de vraag toe.’ De Witte: vraagt zich af wat er dan in het Gooi aan de hand is. Van der Helm knikt: ‘In veel Groningse wijken is het al jaren shit en ellende. Maar dat is al vier generaties zo. Mensen klagen niet dat ze mishandeld worden. Als we al 25 jaar de gelukkigste jeugd hebben, moeten we die 5 procent dan niet accepteren?’

Drie problemen

Cor van Verk, raadslid Dordrecht en Lid Werkgroep Raadsleden jeugdzorg ZHZ, herkent de problemen die voorbij komen. In een notendop: ‘ouders worden arrogant gevonden of zijn bang dat hun kinderen worden afgepakt als ze teveel vertellen. Het wijkteam zit zo dicht op de wijk dat het geen nee durft te zeggen. Ouders ervaren dat ze met drie problemen de deur uitlopen als ze met het wijkteam hebben gepraat. Ik zeg: wijkteams uit de wijk, triagisten erin.’ Het meest herkenbaar vindt hij het verhaal over de Roma. ‘Er zijn wijken met een cultuur die wij als middenklasse niet normaal vinden.’

Roelofs geeft een opmaat naar een oplossing: ‘De samenleving telt straks meer ouderen en minder jongeren. Als we zo doorgaan werkt een op de vier werknemers in de zorg. Dat is onbetaalbaar. Hoe willen we in de toekomst met zorg voor jongeren omgaan die we heel hard nodig hebben op de arbeidsmarkt? Hoe kan deze consumptiemaatschappij minder consumptief met zorg omgaan?’ Baljeu hoort de impliciete boodschap in het verhaal van Roelofs: ‘Of hoogopgeleide of eindeloos ruziënde ouders jeugdzorg zelf moeten betalen of niet is een politieke discussie.’