Stans Goudsmit

Kinderombudsman, gemeente Rotterdam

Jeugdhulp, handel vanuit het perspectief van het kind

Mijn taak is te zorgen dat er zo goed mogelijk voor kinderen wordt gezorgd’, zegt Goudsmit. ‘Afgelopen week heb ik mijn zorgen geuit bij vijf wethouders over de staat van de jeugdhulp. Vaak krijgen kinderen niet de hulp die ze nodig hebben.’

Ze geeft een voorbeeld uit de praktijk: ‘Eline, een meisje van 13 jaar, viel uit op school vanwege een angststoornis. Na een half jaar kon ze terecht in een instelling. Al die tijd had ze thuis gezeten. Ze bleek niet aan het goede adres. Weer kwam ze op een wachtlijst, voor een andere instelling. Een jaar later kon haar behandeling beginnen. Kort daarop kon ze voorzichtig naar school.’


‘Ik praat met kinderen over hun problemen in de jeugdhulp en de oplossingen die ze daarvoor zien’, zegt Goudsmit. Dat blijkt vragen op te roepen in het gemeentehuis. ‘In de ouderenzorg is het heel gewoon om met cliënten zelf over de zorg te praten, maar bij kinderen voelen we ongemak om dat te doen. Terwijl het moet. Het staat in het Kinderrechtenverdrag. Het gesprek aangaan met kinderen over hun eigen zorg is dus niet vrijblijvend.’

Bij de jeugdbeschermingstafel vindt de gemeente ook dat het oordeel van kinderen belangrijk is. Aanvankelijk mochten ze pas vanaf hun zestiende meepraten, maar binnenkort mogen ook jongere kinderen kiezen of ze willen meepraten. Je kunt kiezen of je komt meepraten, een brief stuurt of iemand in jouw plaats laat meepraten.

Durven uitspreken

Wie met kinderen in gesprek gaat, moet goed letten op de voorwaarden voor dat gesprek, zodat kinderen zich durven uitspreken. Het is belangrijk dat het gesprek goed wordt voorbereid, waar het gesprek plaatsvindt, wanneer en wie er aan tafel zitten. Soms heb je niet in de gaten dat gesprekken niet goed verlopen, ervoer Goudsmit. ‘Een jongen van 14 had een paar jaar in een pleeggezin gezeten en vertelde me dat hij was geslagen door de pleegvader. Hij wilde niet dat daar nog andere kinderen werden geplaatst. Verbaasd vroeg ik waarom hij dat niet eerder had verteld. De gesprekken vonden plaats in het huis van het pleeggezin. Weliswaar in een aparte ruimte, maar de jongen had zich niet vrij gevoeld om zijn verhaal te vertellen. Dat was voor hem zeer stressvol. Het mooie is dat zijn verhaal er toe geleid heeft dat de pleegzorgorganisatie voortaan op neutraal terrein afspreekt of bijvoorbeeld tijdens een wandeling met jongeren.’

Het maakt ook uit wanneer je kinderen uitnodigt voor een gesprek en dat je checkt of het uitkomt. Goudsmit plande een gesprek met een tiener tijdens schooltijd. De tiener baalde; ze wilde juist graag naar school. Het motiveert als kinderen weten wat er met hun inbreng gebeurt. Sommige kinderen stoppen hun medewerking als ze nooit iets terug horen. Hoeveel gewicht je aan de mening van een kind hecht, hangt onder andere af van diens leeftijd. Maar koppel altijd terug om te vertellen waarom je een bepaalde beslissing neemt. Goudsmit: ‘In een uitspraak las ik laatst voor het eerst dat de rechter rechtstreeks aan het kind vertelde waarom hij had besloten dat zijn vader hem niet mocht meenemen naar Zweden. Dat was zo bijzonder, ook omdat het eigenlijk nooit voorkomt.’ Tot slot moeten er klachtenregelingen zijn voor kinderen die goed vindbaar zijn en niet verstopt op een of andere website.

Kastje en muur

Stans Goudsmit sluit af met een vrolijke noot: een promotieposter voor haar werk als kinderombudsman, gericht op kinderen, die ze samen met kinderen van de Jongerenraad Young010 heeft gemaakt. In haar eerste folder stond: ‘Word je van het kastje naar de muur gestuurd?’ Kinderen vroegen haar wat dat betekent. Ze kwamen ook met het idee om de folder de vorm van een Whatsapp gesprek tussen jongeren te geven. ‘Zo staat het nu dus op de posters’, zegt Goudsmit.