Geen enkel kind tussen wal en schip


Overheid, bedrijfsleven en burgers bundelen de krachten

Jolanda de Witte, Wethouder Zwijndrecht en Regionaal Portefeuillehouder jeugd ZHZ, is verontwaardigd over minister De Jonge. ‘We hebben hem gisteren een brief gestuurd waarin we aangeven dat er een tekort is van achttien miljoen euro. We zijn er klaar mee. De verantwoordelijkheid voor onder andere jeugdzorg is doorgeschoven naar de gemeenten met bepaalde aannames. Er was niet bekend hoeveel hulp er nodig is per gemeente. Als lokaal bestuurder voel je een grote verantwoordelijkheid om te zorgen dat geen kind tussen wal en schip valt.’

Het is een landelijk verschijnsel dat de vraag naar jeugdzorg toeneemt. Wij blijven de zorg leveren. Daar houdt het Rijk rekening mee. Wat ik nog mis is dat de minister zegt: wat doen we hieraan? Ik mis de gemeenschappelijkheid die ook bij het stelsel hoort. Verder is er de afgelopen jaren door gemeenten in Zuid-Holland Zuid zo’n 18 miljoen euro bijgelegd aanvullend op de rijksbijdragen. VWS heeft in 2016 en 2017 ruimschoots geld over gehouden.

We hebben het met elkaar heel ingewikkeld gemaakt, verzucht De Witte: ‘Wij hebben ook geprobeerd met aanbieders samen aan transformatie te werken. We zijn het eens over de principes, maar toch is het moeilijk om het voor elkaar te krijgen met zoveel partijen. Er lopen in gezinnen heel veel partijen rond.’

Angststoornissen snel signaleren

Ze schetst het dilemma waarvoor wethouders gesteld zijn: ‘Een derde van alle uitgaven gaat naar GGZ-problematiek, met name angststoornissen. Dat kun je op heel jonge leeftijd al zien. Het zou zo mooi zijn als dat gewoon snel gesignaleerd wordt door bijvoorbeeld jeugdgezondheidszorg. Mijn droom is in de veelheid van aanbieders alles goed organiseren. Het is nu te fragmentarisch. Ik zou het liefst met alle aanbieders aan tafel zoeken naar een oplossing. Ik wil initiatief nemen, het goede doen. Maar wij hebben als gemeente (nog) niet de inhoudelijke kennis van de jeugdhulp om te kunnen bepalen welke hulp het minst effectief is en niet hoeft te worden ingezet dan wel op een andere wijze kan worden ingezet, we geven alleen het geld. We kunnen alleen kaders stellen.’

De discussie spitst zich toe op de samenwerking tussen het lokale bestuur en de jeugdzorg, of het gebrek daaraan in sommige gevallen. Cor van Verk, Raadslid Dordrecht en lid Werkgroep Raadsleden Jeugdzorg ZHZ, ontdekte op een avond voor ouders dat de jeugdzorg niet zo goed liep als hij had gedacht. ‘Op die avond kwamen erg veel problemen naar boven. Hoe kan dat nou, dachten wij. Wij horen altijd dat het zo goed gaat. Als in tien tot dertig procent van de casussen iets mis gaat, komen honderden mensen naar hun raadsleden toe om te klagen. Toen zijn we bij elkaar gekomen om een gezamenlijke visie te ontwikkelen die we kunnen uitdragen naar ouders. We lieten ouders weten dat we gezamenlijk streven naar een betere jeugdzorg.’ Jeannette Baljeu, gedeputeerde provincie Zuid-Holland: ‘Dit gebeurt met heel veel onderwerpen in de gemeenteraad. Maar wethouders mag je ook op hun rechte rug aanspreken.’

Onmacht

De Witte: ‘Het is niet zo makkelijk voor elkaar te krijgen met zoveel verschillende partijen. Het gaat een ieder aan het hart als hij of zij wordt aangesproken door ouders over zaken die niet goed gaan.’ Peter Boudewijn, Raad van Bestuur, RST Zorgverleners en Plv. voorzitter Drechtraad gooit het over een andere boeg: ‘In dit soort discussies ontbreken helaas goede analyses en data. Het onderbuikgevoel bij veel raadsleden is: er mag geen kind tussen wal en schip vallen. Maar de vraag is of dat gaat helpen.’ De Witte vindt het lastig om deze discussie te voeren. Jan Menting, Ambassadeur Zorglandschap voor Specialistische Jeugdhulp, glimlacht: ‘Ik heb grote organisaties aangestuurd maar nooit het gevoel gehad dat ik invloed had op wat de medewerkers deden. Een gezamenlijke visie is goed, maar wethouders hebben de potentie om eigen kracht te ontwikkelen.’ Marina van der Velde-Menting knikt: ‘Wat wil je als bestuurder regelen en wat durf je los te laten? Ik zeg: stuur op resultaten en besteed op die manier aan.’ De Witte is het roerend met Van der Velde eens: ‘Daar word je niet wijzer van.’

Maatschappelijke waarde

Waar je naartoe zou moeten, is waarde. Kwaliteit die je deelt. Ouders en kinderen zouden centraal moeten staan in jeugdzorg, betoogt De Witte. ‘Nu worden ouders soms dol van al die verschillende vormen van zorg die ze moeten organiseren. Je moet contracteren op wat de organisatie toevoegt aan maatschappelijke waarde. Ik geloof ook in preventie en andere dingen die mensen gelukkig maken.’ Peer van der Helm, Psycholoog en Lector Residentiële Jeugdzorg, Hogeschool Leiden, is het met haar eens. Maar: ‘Veel zorgorganisaties zijn weinig transparant over hun kwaliteit. Wij doen iets simpels voor de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI): we vragen kinderen van driehonderd instellingen naar hun mening over kwaliteit met een gevalideerd instrument. Die gegevens maken jeugdzorginstellingen elk jaar aan ons bekend. Waarom niet ook aan gemeenten?’ Thea Roelofs, Bestuurder van Enver, stuurt rapportages naar gemeentes, maar gaat niet met iedere gemeente in gesprek om specifieke indicatoren af te spreken omdat dat juist leidt tot minder lerend vermogen. Bovendien zitten er veel lagen in de mogelijke rapportages. ‘Organisaties zijn zelf verantwoordelijk voor het delen van hun kwaliteitsonderzoeken’, stelt Van der Helm. ‘Door de rapportages is de kwaliteit van de DJI enorm gestegen.’ En nee, kinderen krijgen geen ijsjes als ze hoger dan een 8 scoren. Van der Helm: ‘Deze meetinstrumenten zijn heel streng gevalideerd.’

Baljeu benoemt een olifant in de kamer als ze zegt: ‘Hebben we niet teveel zorginstellingen?’ Grote instemming aan tafel. De Witte: ‘Iedere zorgaanbieder bij ons in de regio kan intekenen wanneer ze aan de inkoopvoorwaarden voldoen.’ Menting: ‘In de ziekenhuiszorg zijn 150 aanbieders, het gros van de opdrachten gaat naar 12 aanbieders.’ Anne de Baat, Gemeentesecretaris Capelle aan den IJssel en Bestuurslid VZHG: ‘We moeten samen nadenken over innovatie in de zorg. Praat daarover met aanbieders.’ De Witte: ‘Die transformatie is lastig, het is geen onwil.’ Peter Boudewijn: ‘Daarbij zijn organisaties ook vaak nog elkaars concurrenten.’

Zielig geval

Vernieuwing is aan de gang, zo blijkt: Roelofs heeft met een klein deel van de aanbieders een netwerkorganisatie gevormd die zorg organiseert met scholen in midden Holland. Hulp direct als het nodig, duurt liefst zo kort mogelijk en sluit aan op school. Ook werken we in coöperatieve verbanden in lokale wijkteams. De Baat: ‘Wij hebben gekozen voor een eigen stichting, waarin niet alleen jeugdzorg maar ook hulp zit. We werken multidisciplinair en innovatief. In Capelle werkt het.’ Cor van Verk, Raadslid Dordrecht en Lid Werkgroep Raadsleden Jeugdzorg ZHZ wil de structuur van de jeugdzorg tegen het licht houden omdat de kosten steeds oplopen en de raad daar geen invloed op heeft.

De Witte weet wel hoe dat komt: ‘Wij ontvangen een Rijksbijdrage die niet in verhouding staat tot wat er moet gebeuren.’ Baljeu hoort ook veel inefficiëntie: ‘Elk zielig geval komt voorbij in de Raad.’

En dan de specialistische, zware zorg. Die dreigt helemaal het ondergeschoven kind te worden nu alles op de schouders van de gemeente rust. Van der Helm wijst erop dat specialistische medische zorg landelijk geregeld is. ‘Als je deze zorg goed wilt doen, moet je voldoende casussen hebben. Sommige zorgorganisaties zeggen: wij kunnen alles. Maar daar moeten we niet intrappen’. Van der Hulst vindt dat dit deel van de zorg uit de landelijke aanbesteding gehaald moet worden. Roelofs vindt dat behoud van landelijke zorg niet ten koste mag gaan van kindnabije zorg. ‘We moeten voorkomen dat kinderen toegroeien naar gesloten zorg.’ Van der Helm heeft kleine innovatieve projecten in Rotterdam helpen bouwen voor meiden die slachtoffer zijn van loverboys. ‘De meiden voelen zich er thuis.’

Cowboys weren

Voor Baljeu is dit goed nieuws: ‘er is dus geen belemmering in het systeem om kleine voorzieningen te maken. Met een kwaliteitskader kun je cowboys weren. Pleegzorg wordt verbeterd. Allemaal positieve ontwikkelingen. Dat gezegd hebbende vind ik dat de minister meer actie moet ondernemen als stelselverantwoordelijke. Hij moet de gemeentes helpen dit voor elkaar te krijgen.’


Dan moet er nog iets gedaan worden aan de enorme zorgconsumptie van gezinnen. Soms zou je als gemeente of hulporganisatie anders willen ingrijpen, het probleem echt oplossen. De Witte: Ik ken een gezin waar net het tiende kind uit huis geplaatst is. Het elfde is onderweg. We moeten in gesprek met de vader. Steriliseren ligt heel gevoelig, maar ik zoek naar een integrale aanpak. Ik wil dat er dingen worden opgeruimd in gezinnen.’


Ernstig ontspoorde scheidingen komen voorbij als voorbeeld van moeilijk op te lossen situaties. Hier helpt het goed delen van informatie – binnen de grenzen van de wet – en ook hier weer het perspectief van het kind opzoeken. Ouders kunnen ook op de stoel van het kind gezet worden om te zien wat er gebeurt. Menting vertelt dat hij voor scheidende ouders in Enschede zes woningen gehuurd heeft van de corporatie, waar mensen vanaf dag 1 gescheiden kunnen wonen. ‘Dat scheelt een hoop ellende en een ton in het eerste jaar. Dit komt nog te weinig voor. Initiatieven ontstaan in gemeentes waar wijkteams goed functioneren en het bestuur bereid is dit bestuurlijk te vertalen.’


Van der Hulst wil graag de professionals in de jeugdzorg in het zonnetje zetten. ‘We moeten oppassen dat onze jeugdbeschermers niet afhaken. Ze bereiken succesjes, maar soms gaat het ook mis. Wat een baan. Je moet de samenleving uitleggen dat deze mensen aan de frontlinie staan en ze beschermen.’